The Latest

Om dat vermaledijde fileprobleem nog maar eens aan de kaak te stellen en, vooruit, ook  maar gelijk een open deur in te trappen: jongens, niet allemaal tegelijk op de weg, niet allemaal op dezelfde plek op de weg en niet allemaal met de auto. Opgelost. 
‘Niet allemaal tegelijk’ komt neer op flexibele werktijden. Om elf uur beginnen en tot zeven uur door, zoiets. Ik kan zo een heel scala aan dienstverleners opnoemen dat wat bij betreft heel goed gedijt onder alternatieve werktijden. De tandarts, bijvoorbeeld, of de kapper. Of wat dacht je van het postkantoor en het gemeentehuis? Hele volksstammen zouden ineens niet meer een halve vrije dag op hoeven nemen voor een wortelkanaalbehandeling of een rijbewijsverlenging. Want hoe erg is het om je vakantiedagen door te brengen op de meest stressvolle en deprimerende plekken ever: in de tandartsstoel of in de rij voor Burgerzaken bij het gemeentehuis. 
Het grote probleem is: mensen willen geen andere werktijden. Van negen-tot-vijf is gewoon best wel relaxed. Je begint lekker vroeg, maar ook weer niet zo vroeg dat je op een onaanvaardbaar onchristelijk tijdstip hoeft op te staan. Vervolgens loop je om vijf uur de deur uit en zit je als je het een beetje strak plant om zes uur in de avondzon op een terras, waar je om half elf vanaf rolt zodat je om elf uur in bed ligt en precies acht uur kunt slapen voor je om zeven uur weer opstaat. Dit geldt overigens voor mensen zonder kinderen. Mensen met kroost kunnen juist enorm profiteren van langer doorwerken, want ontsnappen daarmee aan het eindeloze geëtter aan tafel en het getaxi van blokfluitles naar badmintontraining. ‘Ach schat, breng en haal jij ze even? Ik werk vandaag flex..’. 
De volgende breinbreker is: hoe krijg je ze uit die auto? Mensen houden van hun auto, en alle Fietsplannen, elektrische fietsen en OV-oplossingen van de wereld gaan ze niet uit hun wagen krijgen. Het is geen rationeel proces. Ik heb geen auto, maar ik heb jarenlang gerookt en de vergelijking is treffend. Het is schreeuwend duur, het is gevaarlijk, ongezond en slecht voor je omgeving, maar het kan je niets schelen. Je vindt het sexy en rock & roll en het geeft je een gevoel van vrijheid  en onafhankelijkheid. Dat ga je niet opgeven; je bent verslaafd. Natuurlijk overheersen de nadelen. Er zijn duizenden mensen die twee keer per dag in de file staan. Twee keer. Per dag! En dan toch geen suïcide. Als het niet zo idioot zou zijn zou ik mijn petje ervoor afnemen. Automobilisten krijg je niet op de fiets.
Blijft over: thuiswerken. Dat wordt ook wel eens telewerken genoemd, wat ik zo’n fijne jaren 90 term vind die sentimenten oproept van autotelefoons en hoog opgesneden badpakken. Probleem van thuiswerken is dat het dikwijls wordt tegengehouden door middenmanagementlagen die de bui al zien hangen, want zelf ook wel weten dat bij afwezigheid van in de nek te hijgen teamleden heel snel duidelijk zal worden dat hun functie totaal overbodig is. Al met al zit het systeem potdicht. Net als de weg. Vind maar eens een plek om dat probleem te parkeren. 
Sep 25, 2012

Om dat vermaledijde fileprobleem nog maar eens aan de kaak te stellen en, vooruit, ook  maar gelijk een open deur in te trappen: jongens, niet allemaal tegelijk op de weg, niet allemaal op dezelfde plek op de weg en niet allemaal met de auto. Opgelost.

‘Niet allemaal tegelijk’ komt neer op flexibele werktijden. Om elf uur beginnen en tot zeven uur door, zoiets. Ik kan zo een heel scala aan dienstverleners opnoemen dat wat bij betreft heel goed gedijt onder alternatieve werktijden. De tandarts, bijvoorbeeld, of de kapper. Of wat dacht je van het postkantoor en het gemeentehuis? Hele volksstammen zouden ineens niet meer een halve vrije dag op hoeven nemen voor een wortelkanaalbehandeling of een rijbewijsverlenging. Want hoe erg is het om je vakantiedagen door te brengen op de meest stressvolle en deprimerende plekken ever: in de tandartsstoel of in de rij voor Burgerzaken bij het gemeentehuis. 

Het grote probleem is: mensen willen geen andere werktijden. Van negen-tot-vijf is gewoon best wel relaxed. Je begint lekker vroeg, maar ook weer niet zo vroeg dat je op een onaanvaardbaar onchristelijk tijdstip hoeft op te staan. Vervolgens loop je om vijf uur de deur uit en zit je als je het een beetje strak plant om zes uur in de avondzon op een terras, waar je om half elf vanaf rolt zodat je om elf uur in bed ligt en precies acht uur kunt slapen voor je om zeven uur weer opstaat. Dit geldt overigens voor mensen zonder kinderen. Mensen met kroost kunnen juist enorm profiteren van langer doorwerken, want ontsnappen daarmee aan het eindeloze geëtter aan tafel en het getaxi van blokfluitles naar badmintontraining. ‘Ach schat, breng en haal jij ze even? Ik werk vandaag flex..’.

De volgende breinbreker is: hoe krijg je ze uit die auto? Mensen houden van hun auto, en alle Fietsplannen, elektrische fietsen en OV-oplossingen van de wereld gaan ze niet uit hun wagen krijgen. Het is geen rationeel proces. Ik heb geen auto, maar ik heb jarenlang gerookt en de vergelijking is treffend. Het is schreeuwend duur, het is gevaarlijk, ongezond en slecht voor je omgeving, maar het kan je niets schelen. Je vindt het sexy en rock & roll en het geeft je een gevoel van vrijheid  en onafhankelijkheid. Dat ga je niet opgeven; je bent verslaafd. Natuurlijk overheersen de nadelen. Er zijn duizenden mensen die twee keer per dag in de file staan. Twee keer. Per dag! En dan toch geen suïcide. Als het niet zo idioot zou zijn zou ik mijn petje ervoor afnemen. Automobilisten krijg je niet op de fiets.

Blijft over: thuiswerken. Dat wordt ook wel eens telewerken genoemd, wat ik zo’n fijne jaren 90 term vind die sentimenten oproept van autotelefoons en hoog opgesneden badpakken. Probleem van thuiswerken is dat het dikwijls wordt tegengehouden door middenmanagementlagen die de bui al zien hangen, want zelf ook wel weten dat bij afwezigheid van in de nek te hijgen teamleden heel snel duidelijk zal worden dat hun functie totaal overbodig is. Al met al zit het systeem potdicht. Net als de weg. Vind maar eens een plek om dat probleem te parkeren. 

April 2012 in Verkeer in BeeldHoewel een nieuwe fiets op jonge leeftijd een behoorlijk feestelijke aangelegenheid is, is het eerste voertuig waar je in je leven echt gepassioneerd over kan zijn: een scooter. Zelf heb ik dat vuur nooit gevoeld, waarschijnlijk omdat ik het ten eerste niet kon betalen en ten tweede niet zou overleven. Maar in mijn omgeving heerste de scooterkoorts behoorlijk. 
 
In mijn beleving kwam het fenomeen pas ergens eind jaren negentig in zwang. Dat kan ook te maken hebben met het feit dat ik toen aan het puberen was en er dus voor het eerst mee in aanraking kwam, en misschien ook iets met de populariteit van de Duitse danceformatie Scooter, die een grote geblondeerde voorman had en vrij primitieve beukmuziek maakte met avantgardistische titels als Hyper Hyper en How much is the fish? 
Tot die tijd reed men vooral op brommers rond. Een brommer is veel onschuldiger dan een scooter. Het ademt de sfeer uit van ‘boys and their toys’, van knullige stoerheid en het kan zelfs een beetje tongue-in-cheek zijn. Want ook na de opkomst van de scooter bleven er jongens op een Puch rondtuffen, maar dat was eigenlijk toen al oldschool, en deed mijn moeder melancholisch zuchten en mijmeren over nozems en jongens met hoge sturen. 
De vader van een vriendin had een grote liefde voor oude Zündapp’s, waar hij in het schuurtje avondenlang liefdevol aan kluste. Op het hoogtepunt van haar puberale schaamtegevoelens haalde hij zijn dochter –om zichzelf een plezier te doen en haar te pesten- wel eens met zo’n oude buikschuiver op van het station, geheel in stijl gekleed met een pothelm en een lange leren jas. Dat vond zij niet zo leuk.
Maar een scooter is anders en bevindt zich in een interessant spanningsveld tussen chic en asociaal. En als ik zeg scooter, dan bedoel ik natuurlijk Vespa, de ooit-heel-tof-voor-opwindende-ritjes-met-knappe-Italianen-op-zwoele-zomeravonden-in-broeierig-Rome-scooter, die inmiddels in verkeerde handen is gevallen en daarmee al zijn charme verloren heeft. 
Dat is niet altijd zo geweest. Toen de scooter populair werd, had je wel een aantal Zeer Asociale modellen met bijpassende eigenaren, maar ook heel vrolijke, beschaafdere varianten, waarop frisse tienermeisjes naar school en naar vioolles reden.
De echt leuke jongens reden bij ons echter op een Honda C50, een soort liefdesbaby van een brommer en een antieke Vespa, in felrood op –blauw met een witte kap. Die jongens zaten vrijwel zonder uitzondering op hockey, en de kans is reëel dat een flink deel van hen inmiddels in het vastgoed zit en op zo’n glimmende nieuwe Vespa achter een groot windscherm zit. Want als je kijkt naar de bevolkingsgroepen die op Vespa’s rijden, dan krijg je de volgende smeltkroes:
De Makelaar. Draagt een pak of witte broek, grote zonnebril in het haar, drinkt graag prosecco op een sloep.  Het Gymnasiummeisje. Gloss op  haar lippen, Ugg’s aan haar voeten, Blackberry in een hand, latte in de andere. De Marokkaan. Jas met bontkraag, Prada schoenen, harde muziek uit zijn telefoon. 
De klassieke scooterrijders van weleer – de puberjongens dus – zijn inmiddels van voertuig gewisseld en rijden en masse in een Canta, zo’n rood 40km autootje, ooit-heel-tof-voor-opwindende-ritjes-met-minder-validen-op-druilerige-dinsdagmiddagen-in-Krimpen-aan-de-Lek. Het zal mij benieuwen of de Vespa-rijders ook overstappen.  
Jul 13, 2012

April 2012 in Verkeer in Beeld

Hoewel een nieuwe fiets op jonge leeftijd een behoorlijk feestelijke aangelegenheid is, is het eerste voertuig waar je in je leven echt gepassioneerd over kan zijn: een scooter. Zelf heb ik dat vuur nooit gevoeld, waarschijnlijk omdat ik het ten eerste niet kon betalen en ten tweede niet zou overleven. Maar in mijn omgeving heerste de scooterkoorts behoorlijk.

 

In mijn beleving kwam het fenomeen pas ergens eind jaren negentig in zwang. Dat kan ook te maken hebben met het feit dat ik toen aan het puberen was en er dus voor het eerst mee in aanraking kwam, en misschien ook iets met de populariteit van de Duitse danceformatie Scooter, die een grote geblondeerde voorman had en vrij primitieve beukmuziek maakte met avantgardistische titels als Hyper Hyper en How much is the fish?

Tot die tijd reed men vooral op brommers rond. Een brommer is veel onschuldiger dan een scooter. Het ademt de sfeer uit van ‘boys and their toys’, van knullige stoerheid en het kan zelfs een beetje tongue-in-cheek zijn. Want ook na de opkomst van de scooter bleven er jongens op een Puch rondtuffen, maar dat was eigenlijk toen al oldschool, en deed mijn moeder melancholisch zuchten en mijmeren over nozems en jongens met hoge sturen.

De vader van een vriendin had een grote liefde voor oude Zündapp’s, waar hij in het schuurtje avondenlang liefdevol aan kluste. Op het hoogtepunt van haar puberale schaamtegevoelens haalde hij zijn dochter –om zichzelf een plezier te doen en haar te pesten- wel eens met zo’n oude buikschuiver op van het station, geheel in stijl gekleed met een pothelm en een lange leren jas. Dat vond zij niet zo leuk.

Maar een scooter is anders en bevindt zich in een interessant spanningsveld tussen chic en asociaal. En als ik zeg scooter, dan bedoel ik natuurlijk Vespa, de ooit-heel-tof-voor-opwindende-ritjes-met-knappe-Italianen-op-zwoele-zomeravonden-in-broeierig-Rome-scooter, die inmiddels in verkeerde handen is gevallen en daarmee al zijn charme verloren heeft.

Dat is niet altijd zo geweest. Toen de scooter populair werd, had je wel een aantal Zeer Asociale modellen met bijpassende eigenaren, maar ook heel vrolijke, beschaafdere varianten, waarop frisse tienermeisjes naar school en naar vioolles reden.

De echt leuke jongens reden bij ons echter op een Honda C50, een soort liefdesbaby van een brommer en een antieke Vespa, in felrood op –blauw met een witte kap. Die jongens zaten vrijwel zonder uitzondering op hockey, en de kans is reëel dat een flink deel van hen inmiddels in het vastgoed zit en op zo’n glimmende nieuwe Vespa achter een groot windscherm zit. Want als je kijkt naar de bevolkingsgroepen die op Vespa’s rijden, dan krijg je de volgende smeltkroes:

De Makelaar. Draagt een pak of witte broek, grote zonnebril in het haar, drinkt graag prosecco op een sloep.
Het Gymnasiummeisje. Gloss op  haar lippen, Ugg’s aan haar voeten, Blackberry in een hand, latte in de andere.
De Marokkaan. Jas met bontkraag, Prada schoenen, harde muziek uit zijn telefoon.

De klassieke scooterrijders van weleer – de puberjongens dus – zijn inmiddels van voertuig gewisseld en rijden en masse in een Canta, zo’n rood 40km autootje, ooit-heel-tof-voor-opwindende-ritjes-met-minder-validen-op-druilerige-dinsdagmiddagen-in-Krimpen-aan-de-Lek. Het zal mij benieuwen of de Vespa-rijders ook overstappen.  

Februari 2012 in Verkeer in Beeld
In de winter begin ik meestal verschrikkelijk te zeuren over het verkeer. Druk, glad, langzaam, je kent het wel. Daarom dacht ik: ik moet het relativeren, door naar ee plek te gaan waar het veel erger is dan hier. En zo toog ik naar Bangladesh, waar wegen veelal bestaan uit een curieuze mengelmoes van zand, rots, beton en huisafval, die na een flinke regenbui in een vervaarlijk hobbelig drijfzand verandert, en waar je zonder blikken of blozen twaalf uur over een hemelsbrede afstand van 142 kilometer doet.
 
In de steden liggen vaak relatief goede wegen. Ze zijn geasfalteerd en breed, soms wel driebaans midden door de stad. Driebaans daar is overigens iets anders dan hier: op een driebaansweg kun je gemakkelijk met vijf voertuigen naast elkaar rijden (ook een vorm van spitsstroken natuurlijk). Die voertuigen bestaan uit bussen, verroest en vol gaten en deuken, brommers, riksja’s, autorikja’s, auto’s met voor en achter een dikke stalen bumper, en handkarren met onvoorstelbare bepakking. Hierdoor wordt ieder gaatje op de weg opgevuld en heeft het stadsverkeer nog het meest weg van een spelletje Levend Tetris, waarbij alles in elkaar wordt gepast en je steeds een stukje opschuift. 
Tussen de twee grootste steden van het land loopt een snelweg met een aanvaardbaar wegdek en een angstaanjagende aantal verkeersdoden, dat hem het koosnaampje ‘Snelweg Des Doods’ heeft opgeleverd. Sowieso is Bangladesh geen pionier op het gebied van verkeersveiligheid. Even voor het gevoel: volgens Wikipedia heeft Bangladesh jaarlijks 6300 verkeersdoden per 100.000 weggebruikers, Nederland 7. Ik heb gepoogd een aantal oorzaken in kaart te brengen.
Ten eerste is er het gegeven dat een Bengaalse bus net zo breed is als een rijstrook en dat als twee bussen elkaar passeren een van de twee ietsjes zal moeten uitwijken richting berm. Twee haantjes van buschauffeurs = een buslading verkeersdoden. Een gemiddelde buslading = grofweg 140 man. Vol is slechts een state of mind. 
Mocht een van de twee chauffeurs nu wel uitwijken, dan gebeurt dat doorgaans zonder vaart te minderen en nogal op het nippertje, wat de overlevingskans iedereen die in de berm loopt, fietst, of slaapt tot het minimum reduceert. Er is op de meeste bussen overigens wel een soort conducteur aanwezig, die het grootste deel van de rit in de deuropening hangt en luidkeels ‘Heyeyey!’ roept tegen riksja’s die op het punt staan geschept te worden.  
Uiteindelijk culmineerde mijn Bengaalse avontuur in een nachtbus met knusse slaapcompartimentjes, die vol gas over de voor 85 procent uit gaten bestaande weg donderde, waarbij het raam bij iedere stevige hobbel of scherpe bocht open schoof en een ijzig koude wind binnen liet, en de handbagage bijkans naar buiten slingerde. Halverwege de nacht viel er een tas in het gangpad, die mijn geliefde terug wilde halen. Zijn tocht door de bus deed mij nog het meest denken aan een programma-onderdeel van de onvolprezen kijkcijferhit ‘Eh, vergeet je tandenborstel niet’, waarbij een kandidaat eerst in een stoel stevig rond werd gedraaid, om vervolgens dwars door een verfwinkel heen naar een knop te moeten rennen. 
Terwijl ik daar lag te stuiteren dacht ik: je kunt hierover zeggen wat je wilt, maar het brengt je wel in vervoering. 
 
 
Jul 13, 2012

Februari 2012 in Verkeer in Beeld

In de winter begin ik meestal verschrikkelijk te zeuren over het verkeer. Druk, glad, langzaam, je kent het wel. Daarom dacht ik: ik moet het relativeren, door naar ee plek te gaan waar het veel erger is dan hier. En zo toog ik naar Bangladesh, waar wegen veelal bestaan uit een curieuze mengelmoes van zand, rots, beton en huisafval, die na een flinke regenbui in een vervaarlijk hobbelig drijfzand verandert, en waar je zonder blikken of blozen twaalf uur over een hemelsbrede afstand van 142 kilometer doet.

 

In de steden liggen vaak relatief goede wegen. Ze zijn geasfalteerd en breed, soms wel driebaans midden door de stad. Driebaans daar is overigens iets anders dan hier: op een driebaansweg kun je gemakkelijk met vijf voertuigen naast elkaar rijden (ook een vorm van spitsstroken natuurlijk). Die voertuigen bestaan uit bussen, verroest en vol gaten en deuken, brommers, riksja’s, autorikja’s, auto’s met voor en achter een dikke stalen bumper, en handkarren met onvoorstelbare bepakking. Hierdoor wordt ieder gaatje op de weg opgevuld en heeft het stadsverkeer nog het meest weg van een spelletje Levend Tetris, waarbij alles in elkaar wordt gepast en je steeds een stukje opschuift.

Tussen de twee grootste steden van het land loopt een snelweg met een aanvaardbaar wegdek en een angstaanjagende aantal verkeersdoden, dat hem het koosnaampje ‘Snelweg Des Doods’ heeft opgeleverd. Sowieso is Bangladesh geen pionier op het gebied van verkeersveiligheid. Even voor het gevoel: volgens Wikipedia heeft Bangladesh jaarlijks 6300 verkeersdoden per 100.000 weggebruikers, Nederland 7. Ik heb gepoogd een aantal oorzaken in kaart te brengen.

Ten eerste is er het gegeven dat een Bengaalse bus net zo breed is als een rijstrook en dat als twee bussen elkaar passeren een van de twee ietsjes zal moeten uitwijken richting berm. Twee haantjes van buschauffeurs = een buslading verkeersdoden. Een gemiddelde buslading = grofweg 140 man. Vol is slechts een state of mind.

Mocht een van de twee chauffeurs nu wel uitwijken, dan gebeurt dat doorgaans zonder vaart te minderen en nogal op het nippertje, wat de overlevingskans iedereen die in de berm loopt, fietst, of slaapt tot het minimum reduceert. Er is op de meeste bussen overigens wel een soort conducteur aanwezig, die het grootste deel van de rit in de deuropening hangt en luidkeels ‘Heyeyey!’ roept tegen riksja’s die op het punt staan geschept te worden.  

Uiteindelijk culmineerde mijn Bengaalse avontuur in een nachtbus met knusse slaapcompartimentjes, die vol gas over de voor 85 procent uit gaten bestaande weg donderde, waarbij het raam bij iedere stevige hobbel of scherpe bocht open schoof en een ijzig koude wind binnen liet, en de handbagage bijkans naar buiten slingerde. Halverwege de nacht viel er een tas in het gangpad, die mijn geliefde terug wilde halen. Zijn tocht door de bus deed mij nog het meest denken aan een programma-onderdeel van de onvolprezen kijkcijferhit ‘Eh, vergeet je tandenborstel niet’, waarbij een kandidaat eerst in een stoel stevig rond werd gedraaid, om vervolgens dwars door een verfwinkel heen naar een knop te moeten rennen.

Terwijl ik daar lag te stuiteren dacht ik: je kunt hierover zeggen wat je wilt, maar het brengt je wel in vervoering.

 

 

oktober 2011 in Verkeer in Beeld
Een belangrijk onderdeel van onze culturele identiteit is pochen met de staat van ons wegdek vergeleken met dat van de zuiderburen. Iedere keer dat wij Hollanders een meter over de Belgische grens zijn geweest zwelgen we in zelfingenomenheid. Dat is ook niet zo raar, want het we hebben gelijk en het is bovendien een dankbaar en veilig verjaardagsborrelonderwerp:
‘Ik was laatst in België en allemachtig wat zijn de wegen daar toch slecht.’ 
‘Nou he? Je hebt geen bord bij de grens nodig om je te vertellen dat je in België bent.. Je vóélt het gewoon aan de weg.’
‘Vooral in Wallonië.’
‘Ja. Maar dat is ook armoedig.’  
En we nemen nog een hap van ons gevulde ei en bedenken tevreden hoe goed we het eigenlijk voor elkaar hebben en hoe armzalig dat bestuurloze België er bij ligt. Maar het is natuurlijk in eigen land ook niet alles ZOAB wat er blinkt.
Met name in de stad laat het onderhoud behoorlijk te wensen over. Gaten in het asfalt, boomwortels die door het wegdek heen breken, verzakte straten, noem het maar op. Het valt mij extra op omdat mijn fiets genadeloos is in het detecteren van achterstallig onderhoud. Mijn fiets valt in de categorie die in wielerjargon ‘rammelbak’ heet, en begint dus allerlei alarmerende geluiden te maken zodra ik hem over een hobbeltje in de weg stuur. Gaten en oneffenheden worden dus onverbiddelijk aan het licht gebracht. (Je zou kunnen stellen dat mijn fiets de waakhond van de infrastructuur is.) En ik kan je vertellen: het is een zootje.

Een degelijke infrastructuur valt of staat bij fatsoenlijk onderhoud ervan. En dat is gelijk het minst leuke, of in elk geval het minst dankbare, gedeelte van het bouwproces. Iets nieuws bouwen of aanleggen is fijn. Je zit even in de rotzooi, maar dan heb je ook een mooie, nieuwe weg/brug/trambaan. Daar wil je best even voor door het stof. Maar onderhoud betekent voor de meeste mensen vooral overlast. En dat is het natuurlijk ook. Zodra er ergens een paar oranje vestjes worden gesignaleerd, gonst het alweer in de buurt: daar zijn we weer máánden zoet mee. Het meest onbevredigende van onderhoud is dat je een tijd met de overlast zit (straat ligt open, parkeerplaats onbereikbaar, overal stof, takkeherrie vanaf de dageraad) om daarna achter te blijven met wat je al had: een straat. Een beetje zoals een Grote Beurt. Je levert een paar honderd euro in en je krijgt dezelfde auto terug. Zeer onbevredigend. Als het op geld en opgebroken straten aankomt reikt de visie doorgaans nou eenmaal niet verder dan de korte termijn.Maar als het niet gebeurt, en de straten beginnen te slijten en de stoep is wat verzakt, dan heb je de poppen helemaal aan het dansen. Dan heeft iedereen de mond vol van schande voor de beschaving en Belgische toestanden. Wat we eigenlijk willen is dat de boel wel onderhouden is, maar niet onderhouden wordt.Helaas is het kiezen tussen twee kwaden: Bouwvakkers in de weg of Belgische toestanden. Dan is de keuze snel gemaakt. 
Jul 13, 2012

oktober 2011 in Verkeer in Beeld

Een belangrijk onderdeel van onze culturele identiteit is pochen met de staat van ons wegdek vergeleken met dat van de zuiderburen. Iedere keer dat wij Hollanders een meter over de Belgische grens zijn geweest zwelgen we in zelfingenomenheid. Dat is ook niet zo raar, want het we hebben gelijk en het is bovendien een dankbaar en veilig verjaardagsborrelonderwerp:

‘Ik was laatst in België en allemachtig wat zijn de wegen daar toch slecht.’ 

‘Nou he? Je hebt geen bord bij de grens nodig om je te vertellen dat je in België bent.. Je vóélt het gewoon aan de weg.’

‘Vooral in Wallonië.’

‘Ja. Maar dat is ook armoedig.’  

En we nemen nog een hap van ons gevulde ei en bedenken tevreden hoe goed we het eigenlijk voor elkaar hebben en hoe armzalig dat bestuurloze België er bij ligt. Maar het is natuurlijk in eigen land ook niet alles ZOAB wat er blinkt.

Met name in de stad laat het onderhoud behoorlijk te wensen over. Gaten in het asfalt, boomwortels die door het wegdek heen breken, verzakte straten, noem het maar op. Het valt mij extra op omdat mijn fiets genadeloos is in het detecteren van achterstallig onderhoud. Mijn fiets valt in de categorie die in wielerjargon ‘rammelbak’ heet, en begint dus allerlei alarmerende geluiden te maken zodra ik hem over een hobbeltje in de weg stuur. Gaten en oneffenheden worden dus onverbiddelijk aan het licht gebracht. (Je zou kunnen stellen dat mijn fiets de waakhond van de infrastructuur is.) En ik kan je vertellen: het is een zootje.

Een degelijke infrastructuur valt of staat bij fatsoenlijk onderhoud ervan. En dat is gelijk het minst leuke, of in elk geval het minst dankbare, gedeelte van het bouwproces. Iets nieuws bouwen of aanleggen is fijn. Je zit even in de rotzooi, maar dan heb je ook een mooie, nieuwe weg/brug/trambaan. Daar wil je best even voor door het stof. Maar onderhoud betekent voor de meeste mensen vooral overlast. En dat is het natuurlijk ook. Zodra er ergens een paar oranje vestjes worden gesignaleerd, gonst het alweer in de buurt: daar zijn we weer máánden zoet mee. Het meest onbevredigende van onderhoud is dat je een tijd met de overlast zit (straat ligt open, parkeerplaats onbereikbaar, overal stof, takkeherrie vanaf de dageraad) om daarna achter te blijven met wat je al had: een straat. Een beetje zoals een Grote Beurt. Je levert een paar honderd euro in en je krijgt dezelfde auto terug. Zeer onbevredigend. Als het op geld en opgebroken straten aankomt reikt de visie doorgaans nou eenmaal niet verder dan de korte termijn.

Maar als het niet gebeurt, en de straten beginnen te slijten en de stoep is wat verzakt, dan heb je de poppen helemaal aan het dansen. Dan heeft iedereen de mond vol van schande voor de beschaving en Belgische toestanden. Wat we eigenlijk willen is dat de boel wel onderhouden is, maar niet onderhouden wordt.
Helaas is het kiezen tussen twee kwaden: Bouwvakkers in de weg of Belgische toestanden. Dan is de keuze snel gemaakt. 

september 2011 in Verkeer in BeeldHet openbaar vervoer heeft een chronisch slechte reputatie. Als je mensen vraagt hun eerste associatie te geven met het openbaar verover; het eerste te roepen wat in ze opkomt, krijg je reacties die varieren van “Vertraging”; “Duur” en “Gadverdamme”, tot “Vol”, “Onhandig” en “Over mijn lijk!”.
Ik heb niets tegen het openbaar vervoer. Ik ben er mee opgegroeid. Toen ik vroeger 18 kilometer heen en terug door weilanden, weer en wind naar school moest fietsen, droomde ik over de trein. In de wintermaanden was het ’s ochtends nog donker en dan fantaseerde ik over hoe het zou zijn in die knus verlichte trein, die ik in de verte als een glimworm door het landschap zag trekken. Ik ben dus niet principieel tegen het openbaar vervoer. Integendeel zelfs.  
Het probleem is dat er een behoorlijke discrepantie bestaat tussen wat het OV is en wat het zou kunnen zijn. In volle glorie is het OV een paradijselijk netwerk, een utopisch web van transportlijnen, die naadloos op zichzelf en elkaar aansluiten en alles met iedereen verbinden. Zoals het perfect gesponnen web van een slinkse spin in de hoek van de schuur, waar zelfs de grootste spinnenhater niet anders dan vol ontzag naar kijken kan.
In werkelijkheid heeft het echter meer weg van de gehavende panty van een rebellerende punkpuber in het Londen van de jaren ’70, vol gaten en ladders en nauwelijks nog een kous te noemen, waar zelfs de meest liberale moeder niet anders dan vol afschuw naar kijken kan. 
Toch probeer ik steeds de potentie te blijven zien, zoals de moeder van die puber (“Dit is een fáse, dit is gezónd!”). Maar dat valt niet altijd mee. Zoals toen ik afgelopen weekend het ritje Amsterdam – Zwolle – Amsterdam wilde maken. Vanwege werkzaamheden moest ik natuurlijk weer eens via Utrecht. Daarom wilde ik vanaf Amsterdam Amstel, in plaats van Centraal vertrekken, wat normaliter een metroritje van een paar minuten is. De metro rijdt echter de hele zomer niet vanwege nog meer werkzaamheden. Daardoor eindigde ik in een deprimerende pendelbus die er dusdanig lang over deed dat het absolute voordeel van het OV ten opzichte van de benenwagen met het blote oog niet meer waar te nemen was. Op de terugweg was er bovendien ergens iemand voor de trein gesprongen, waardoor mijn route uitkwam op Zwolle – Utrecht – Leiden – Amsterdam. Een kleine 100 kilometer en anderhalf uur om. Op die momenten is het lastig om te blijven denken aan wat het OV allemaal kán zijn.
Het OV is aan het puberen en dat is een lastige fase. Er wordt gesleuteld aan het spoor, een nieuwe betaalsysteem geïntroduceerd, er worden nieuwe metrolijnen aangelegd en perrons verhoogd: dat kost ook tijd. Het is als een puber die een volwassen lichaam aan het ontwikkelen is. Dat gaat gepaard met veel slaande deuren, gekrijs en drank- en drugsmisbruik, maar dat is een fase. Het is geen slecht kind, het heeft een slechte reputatie. Want als we later oud zijn, fysiek in puin liggen en niet meer met de auto of de fiets kunnen, dan hebben we het OV nog. En dan kijken we hoofdschuddend terug op deze roerige periode. Onder voorwaarde dat het zich tegen die tijd nog niet heeft doodgereden, natuurlijk.  
Jul 13, 2012

september 2011 in Verkeer in Beeld

Het openbaar vervoer heeft een chronisch slechte reputatie. Als je mensen vraagt hun eerste associatie te geven met het openbaar verover; het eerste te roepen wat in ze opkomt, krijg je reacties die varieren van “Vertraging”; “Duur” en “Gadverdamme”, tot “Vol”, “Onhandig” en “Over mijn lijk!”.

Ik heb niets tegen het openbaar vervoer. Ik ben er mee opgegroeid. Toen ik vroeger 18 kilometer heen en terug door weilanden, weer en wind naar school moest fietsen, droomde ik over de trein. In de wintermaanden was het ’s ochtends nog donker en dan fantaseerde ik over hoe het zou zijn in die knus verlichte trein, die ik in de verte als een glimworm door het landschap zag trekken. Ik ben dus niet principieel tegen het openbaar vervoer. Integendeel zelfs.  

Het probleem is dat er een behoorlijke discrepantie bestaat tussen wat het OV is en wat het zou kunnen zijn. In volle glorie is het OV een paradijselijk netwerk, een utopisch web van transportlijnen, die naadloos op zichzelf en elkaar aansluiten en alles met iedereen verbinden. Zoals het perfect gesponnen web van een slinkse spin in de hoek van de schuur, waar zelfs de grootste spinnenhater niet anders dan vol ontzag naar kijken kan.

In werkelijkheid heeft het echter meer weg van de gehavende panty van een rebellerende punkpuber in het Londen van de jaren ’70, vol gaten en ladders en nauwelijks nog een kous te noemen, waar zelfs de meest liberale moeder niet anders dan vol afschuw naar kijken kan. 

Toch probeer ik steeds de potentie te blijven zien, zoals de moeder van die puber (“Dit is een fáse, dit is gezónd!”). Maar dat valt niet altijd mee. Zoals toen ik afgelopen weekend het ritje Amsterdam – Zwolle – Amsterdam wilde maken. Vanwege werkzaamheden moest ik natuurlijk weer eens via Utrecht. Daarom wilde ik vanaf Amsterdam Amstel, in plaats van Centraal vertrekken, wat normaliter een metroritje van een paar minuten is. De metro rijdt echter de hele zomer niet vanwege nog meer werkzaamheden. Daardoor eindigde ik in een deprimerende pendelbus die er dusdanig lang over deed dat het absolute voordeel van het OV ten opzichte van de benenwagen met het blote oog niet meer waar te nemen was. Op de terugweg was er bovendien ergens iemand voor de trein gesprongen, waardoor mijn route uitkwam op Zwolle – Utrecht – Leiden – Amsterdam. Een kleine 100 kilometer en anderhalf uur om. Op die momenten is het lastig om te blijven denken aan wat het OV allemaal kán zijn.

Het OV is aan het puberen en dat is een lastige fase. Er wordt gesleuteld aan het spoor, een nieuwe betaalsysteem geïntroduceerd, er worden nieuwe metrolijnen aangelegd en perrons verhoogd: dat kost ook tijd. Het is als een puber die een volwassen lichaam aan het ontwikkelen is. Dat gaat gepaard met veel slaande deuren, gekrijs en drank- en drugsmisbruik, maar dat is een fase. Het is geen slecht kind, het heeft een slechte reputatie. Want als we later oud zijn, fysiek in puin liggen en niet meer met de auto of de fiets kunnen, dan hebben we het OV nog. En dan kijken we hoofdschuddend terug op deze roerige periode. Onder voorwaarde dat het zich tegen die tijd nog niet heeft doodgereden, natuurlijk.  

Afscheidscolumn voor hskwin’ - december 2011. 
Na jaren lief, leed en trouwe dienst zit ik dan toch ineens mijn laatste column te tikken. Toen de hoofdredacteur belde om het uit te maken, wist ik dat het beter was, maar moest ik toch even slikken. Het is als een jeugdliefde die je bent ontgroeid, maar toch niet goed los kan laten. Je zou er potdomme melancholisch van worden. 
Nu ik door dit plotse afscheid weemoedig door mijn mapje met oude columns blader, realiseer ik me dat de verzameling onbedoeld een ‘Coming of Age feuilleton van een Windesheim-studente’ is geworden (en als ik niet uitkijk wordt deze column nog een ‘Requiem voor een Columniste’), waarin alleen al in het onderschrift een zekere ontwikkeling waarneembaar is. Ik ging van het hoopvolle ‘tweedejaars journalistiek’, via het eufemistische ‘laatstejaars’ en ‘onlangs afgestudeerd’ naar ‘oud-studente’, wat nu uiteindelijk toch neerkomt op ‘te-oud-studente’. Misschien wordt het ook eens tijd mijn diploma op te halen.
Terugkijkend op mijn oeuvre merk ik dat opmerkelijk veel zaken mijn wind van voren kregen. Onder andere kappers, tandartsen, moeders met buggy’s, Sinterklaas, helpdesks, wintersport, mensen met allergieën, onze kanarie Frida, sport, Ikea, de trein, straatverkopers, kerstkaarten, assertieve vrouwen, gooitenten, muizen, Red Bull en de Mediamarkt kregen het te verduren. 
Toch was ik heus ook wel eens positief. Zo hemelde ik cornflakesverpakkingen, Lingo, kerstfilms, Tinatoppers, koffie, yoga en mijn fiets vol overgave op. 
Ook onderging ik een paar opmerkelijke veranderingen. Ik transformeerde bijvoorbeeld van een overtuigd roker in een afgekickte Allen Carr-volgeling. Ik werd van absolute antisporter een min of meer regelmatige hardloper (en dus doodloper, betoogde ik ooit vlammend). En ik belandde via allerlei al dan niet beantwoorde liefdes bij een ongeëvenaard fantastisch snoesje. 
Sommige dingen veranderden ook helemaal niet. Ik ben nog steeds rommelig, theatraal, een tikje hysterisch, meestal te laat en best vaak brak. 
Dat laatste heeft me vaak gered, want als ik echt geen onderwerp verzinnen kon, kon het altijd nog daarover gaan. ‘Dan maar weer eens over de poes’, zuchtte Carmiggelt als hij ongeïnspireerd was. Bij mij was dat: dan maar weer eens over de kater. Een onuitputtelijke bron. 
Toch is er een aantal woorden dat ik graag nog eens had willen gebruiken. Flegmatisch, bijvoorbeeld. Of lethargie, avant la lettre, bakvis, krokodillentranen, aha-erlebnis en snuisterij. Bij deze dan maar. Voor een ieder die hier tegen wil en dank ook melancholisch van wordt: volg me op facebook.com/elisefikse.nl voor oude en nieuwe columns. 
Verder slechts: Adieu (ook zo’n woord). 
Jul 13, 2012

Afscheidscolumn voor hskwin’ - december 2011. 

Na jaren lief, leed en trouwe dienst zit ik dan toch ineens mijn laatste column te tikken. Toen de hoofdredacteur belde om het uit te maken, wist ik dat het beter was, maar moest ik toch even slikken. Het is als een jeugdliefde die je bent ontgroeid, maar toch niet goed los kan laten. Je zou er potdomme melancholisch van worden.

Nu ik door dit plotse afscheid weemoedig door mijn mapje met oude columns blader, realiseer ik me dat de verzameling onbedoeld een ‘Coming of Age feuilleton van een Windesheim-studente’ is geworden (en als ik niet uitkijk wordt deze column nog een ‘Requiem voor een Columniste’), waarin alleen al in het onderschrift een zekere ontwikkeling waarneembaar is. Ik ging van het hoopvolle ‘tweedejaars journalistiek’, via het eufemistische ‘laatstejaars’ en ‘onlangs afgestudeerd’ naar ‘oud-studente’, wat nu uiteindelijk toch neerkomt op ‘te-oud-studente’. Misschien wordt het ook eens tijd mijn diploma op te halen.

Terugkijkend op mijn oeuvre merk ik dat opmerkelijk veel zaken mijn wind van voren kregen. Onder andere kappers, tandartsen, moeders met buggy’s, Sinterklaas, helpdesks, wintersport, mensen met allergieën, onze kanarie Frida, sport, Ikea, de trein, straatverkopers, kerstkaarten, assertieve vrouwen, gooitenten, muizen, Red Bull en de Mediamarkt kregen het te verduren.

Toch was ik heus ook wel eens positief. Zo hemelde ik cornflakesverpakkingen, Lingo, kerstfilms, Tinatoppers, koffie, yoga en mijn fiets vol overgave op.

Ook onderging ik een paar opmerkelijke veranderingen. Ik transformeerde bijvoorbeeld van een overtuigd roker in een afgekickte Allen Carr-volgeling. Ik werd van absolute antisporter een min of meer regelmatige hardloper (en dus doodloper, betoogde ik ooit vlammend). En ik belandde via allerlei al dan niet beantwoorde liefdes bij een ongeëvenaard fantastisch snoesje.

Sommige dingen veranderden ook helemaal niet. Ik ben nog steeds rommelig, theatraal, een tikje hysterisch, meestal te laat en best vaak brak.

Dat laatste heeft me vaak gered, want als ik echt geen onderwerp verzinnen kon, kon het altijd nog daarover gaan. ‘Dan maar weer eens over de poes’, zuchtte Carmiggelt als hij ongeïnspireerd was. Bij mij was dat: dan maar weer eens over de kater. Een onuitputtelijke bron.

Toch is er een aantal woorden dat ik graag nog eens had willen gebruiken. Flegmatisch, bijvoorbeeld. Of lethargie, avant la lettre, bakvis, krokodillentranen, aha-erlebnis en snuisterij. Bij deze dan maar. Voor een ieder die hier tegen wil en dank ook melancholisch van wordt: volg me op facebook.com/elisefikse.nl voor oude en nieuwe columns.

Verder slechts: Adieu (ook zo’n woord). 

December 2011 in hskwin’ 
Jul 13, 2012

December 2011 in hskwin’ 

Column: een cookie van eigen deeg.
Feb 9, 2012

Column: een cookie van eigen deeg.

Nieuwe #column: de #drooglegging.
Dec 5, 2011

Nieuwe #column: de #drooglegging.

Nieuwe #column: sms Groupoff. #windesheim #groupon 
Nov 4, 2011

Nieuwe #column: sms Groupoff. #windesheim #groupon 

#Flirt! #horoscope #blackout
Nov 3, 2011

#Flirt! #horoscope #blackout

Go, go, go! #horoscope #blackout
Nov 2, 2011

Go, go, go! #horoscope #blackout

Dreams become reality: new #horoscope #blackout
Nov 1, 2011

Dreams become reality: new #horoscope #blackout

Fantasize! #horoscope #blackout. 
Oct 31, 2011 / 3 notes

Fantasize! #horoscope #blackout. 

Op avontuur! #horoscoop #blackout
Oct 29, 2011

Op avontuur! #horoscoop #blackout